donderdag 8 november 2012

Het licht dat niet wil schijnen.......... deel 2


Zaterdag 3 november 2012

5.30  uur 
Vanonder mijn muskietennet kijk ik naar het ontwaken van de  roze- vingerige  Eos, godin van de dageraad ( Homerus) die met haar prachtige roze strepen de lucht kleurt en ik geniet. Ik heb slecht geslapen want het koelt niet af en de uilen hebben de hele nacht met hun duikvluchten en snerpende kreten de honden gepest die dat beantwoorden met hysterisch geblaf en sprongen in de lucht.

Sedou roept me. “Yvonne, er ligt een man te sterven bij de poort”. Ik kleed me snel aan en vind inderdaad bij de uitgang een oude man die voorover in het zand en het afval ligt, zijn handen om zijn hoofd gevouwen.  Hij is blootsvoets, heeft een soort onderbroek aan en een hemdje. Het is de gardien van de tuin van de burgemeester een paar hectares verderop. Hij is vannacht op handen en voeten over het zandpad naar ons toe gekropen en daar blijven liggen. Hij kreunt dat hij stervende is.
Ik bel Baba…. antwoordapparaat,    ik bel Hamsa…….antwoordapparaat,   ik bel de burgemeester…… antwoordapparaat. Dan sjor ik met Sedou de man in de achterbak van de Kanari, zijn kleren en haren zitten onder de distels en afvalresten en we vertrekken naar het spiksplinternieuwe ziekenhuis in Sevare!


Dit ziekenhuis is gebouwd met behulp van Franse en Belgische sponsors, het dient de hele regio te kunnen bedienen en is versneld geopend in verband met de ophanden zijnde oorlog. Het is modern, overal goed te onderhouden marmeren vloeren, roestvrij stalen deuren, toiletblokken,  moderne medische apparatuur, nog verpakt in plastic met Engelstalige gebruiksaanwijzingen, een moderne apotheek zonder voorraad, rolstoelen, etc. etc. Het ziet er indrukwekkend uit en er is duidelijk over nagedacht. Na de opening van dit ziekenhuis  heeft de medisch directeur van het aftandse ziekenhuis in Mopti ( 15 km.) de dag voor Tabakski de deuren van zijn ziekenhuis gesloten  en alle patiënten, ook de mensen die net uit de operatiekamer kwamen, naar huis gestuurd zodat hij rustig zijn feest kon vieren om daarna na te gaan denken hoe de overdracht te regelen, een onbekend aantal doden ten gevolg.

6.30
We arriveren bij het ziekenhuis en mogen doorrijden tot de ingang van de eerste hulp. Daar tref ik  een zusje van Baba aan, die stage loopt voor haar verpleegstersopleiding en  de nacht als bewaker heeft doorgebracht op een stoel voor het ziekenhuis en nu de artsen assisteert.
Ik betaal 1000 cfa voor een bonnetje. De oude man wordt het laboratorium ingesleurd voor bloedafname. Ik betaal 6000 cfa. Dan wordt verteld dat we een uur moeten wachten op de uitslag maar ik krijg een lijst van 15 medicijnen die aangeschaft moeten worden om hem alvast te “kalmeren”. We weten allemaal dat hij malaria heeft, de gevaarlijke variant die nu heerst. De apotheek heeft de helft voor 4000 cfa en een apotheek een eind verderop de andere helft voor 4500. Maar dan is mijn geld op. Ondertussen wordt de man in een rolstoel naar een ziekenzaal gereden, kosten 1000 cfa. ( geen enkele arme sterveling hier kan dit soort kosten betalen). alwaar hij aan het infuus gaat. Het ziekenhuis toont een Kafkaiaanse aanblik. Grote gangen en deuren, alles prachtig maar vuil met bloedspetters alom, hier en daar wat personeel en verder familie van patiënten die buiten kleren wassen en een potje koken op de oude manier.
Inmiddels is Baba gewaarschuwd en om half tien arriveert hij met de broer van de burgemeester die de zorg voor de man overneemt.
Ik sterf inmiddels van de dorst en met Sedou  rij ik naar Here Bugu.

11.00 uur
Op Here Bugu is de broer van Sedou, Moctar. Hij woont in het zuiden van de Dogon maar is naar ons gekomen om hulp te zoeken. Elke dag sterven er minimaal 2 mensen in zijn dorp aan de malaria. De enkele medische hulppost is onbemand omdat de regering al lang geen salarissen meer betaald.  Hij wordt gebeld dat  fundamentalistische bandieten zijn dorp hebben omsingeld en huiszoekingen doen op zoek naar wapens. Idrissa is in elkaar geslagen. Noodgedwongen moet hij nu langer op Here Bugu blijven en houdt ons op de hoogte van de situatie aldaar.

12.00 uur
Ik vraag aan Sedou de benzinegenerator aan te zetten zodat ik een uurtje internet heb en we de mobiele telefoons kunnen opladen.

12.30
Ben Laden, de man die in de weekenden helpt met schoonmaken van de gebouwen, zakt door zijn knieën. Malaria. Ik geef hem een doos arctefan uit mijn voorraad en laat hem ophalen.

13.00
We horen een knal en de benzinegenerator houdt er mee op. Dat betekent dat er nu geen vorm van elektriciteit meer mogelijk is en ik weet dat het bij deze temperaturen en omstandigheden voor mij lichamelijk niet te doen zal zijn. Baba gebeld die me vraagt met de generator naar Mopti te komen.

13.30
Ik start de Kanari maar die geeft geen kik. Vorige week hebben we twee van de vier accu’s vernieuwd al na een half jaar. De kwaliteit van de accu’s is hier slecht, de prijs niet gering. Maar er moet dus iets anders aan de hand zijn.
Vereend duwen we de Kanari de weg op en Sedou en ik vertrekken.

14.00 uur
Hamsa en Sedou vertrekken met de Kanari en de generator naar de respectievelijke mecaniciens en ik vermaak de kinderen bij Baba door ze te leren zout en pepervaatjes te vouwen.

18.00 uur
De duisternis valt en Hamsa en Sedou komen terug. Een ingewikkeld onderdeel van de Kanari tussen accu en dynamo is kapot en kan vandaag niet gerepareerd worden maar als we de motor aanhouden halen we het tot Here Bugu. Bij de generator is de bobine verbrand en kan morgen vervangen worden.

18.30
Doodmoe en vuil arriveren we op Here Bugu. Het is pikdonker, het is heet en zoemt alom van de muggen. Als ik de motor uitzet hoor ik het heftige geblaat van de schapen. Er blijkt al 24 uur geen eten voor de schapen te zijn, alle vergaderingen ten spijt en ook de voorraad die deze maand is aangeschaft maar die Baba ergens verstopt blijkt te hebben. Het welzijn van de schapen is een soort graadmeter geworden in de loop der tijd tussen Baba en mij en iedereen maakt zich daar zenuwachtig over. Ik bel Baba, zeg niets maar laat hem het geblaat horen. Hij schrikt en realiseert zich dat het nu menens begint te worden, een half uur later verschijnt Bamoi op de brommer met zakken eten.

19.00 uur
Ik heb vandaag nog niet gegeten. In het huis is het bloedheet. Met een zaklamp pak ik wat uien, eieren, knoflook  en tomaten bij elkaar en wil het gas aansteken. De gasfles is leeg.

19.30
Ik zak neer op een stoel in het donker. Het zweet loopt over mijn hele lichaam. Snikken en golven gevoel persen zich een weg omhoog uit mijn buik en koppelen zich aan gedachten  die ik goed ken: ik ben zoo alleen, alles mislukt in mijn leven, alles is verloren enzovoort. Tranen beginnen te vloeien. Dan, ineens, bedenk ik dat ik nu echt te moe ben, dat ik moet gaan slapen en het me niet kan permitteren energie en tijd te verspillen aan me zielig voelen en meegaan in de negatieve spiraal naar beneden. Zieligheid en negativiteit slokken extreem veel energie op. En ondanks alles hoor ik mezelf grinniken, dit zal me niet gebeuren. (Het is niet sterk, niet moedig, gewoon overlevingsstrategie, ik zeg het er maar even bij!)

20.00 uur
Ik neem een lange douche en ga het dak op. In het lichte schijnsel van de maan kruip ik onder mijn muskietennet in het bed dat nat is van de vochtige hitte.
Buurman Peul is vandaag teruggekomen, twee maanden eerder dan normaal. Zijn honderden lammetjes blèren zonder pauze als pasgeboren baby’s.
Al gauw hoor en voel ik muggen, heel veel muggen. Ik doe mijn zaklamp aan en zie dat het muskietennet totaal aan flarden ligt. Grote scheuren en gaten overal. De honden die de hele middag alleen in huis waren hebben uit woede het net, maar ook de ophangconstructie aan flarden getrokken.
Met mijn deken en kussen onder mijn arm sjok ik naar beneden. Er zit niets anders op dan te slapen in het hete huis onder de klamboe in mijn slaapkamer.

21.00 uur
De telefoon gaat en badend in het zweet neem ik op. Baba. Hij is ongerust. Terecht denk ik. Ik haal diep adem en verbaas me over de rust waarmee ik zeg dat we op het nulpunt zijn terechtgekomen.

Baba beaamt dat en zegt:
“ we moeten erover nadenken waarom er geen licht wil schijnen op Here Bugu!”

Ik val in slaap en wordt wakker met een zwaar gevoel en tranen die over mijn wangen rollen.

woensdag 7 november 2012

Langzaam de crisis in.....deel 1


Na een comfortabele en gezellige week in Bamako ben ik twee weken geleden op Here Bugu aangekomen. Ik hoopte met een vliegtuigje voor “ aide humanitaire” naar Mopti te kunnen vliegen maar dat lukte niet en ik besloot uiteindelijk de tocht gewoon per bus te doen met mijn 100 kilo bagage. Het is een gekke ervaring om geen enkele blanke onderweg meer tegen te komen.  Op de pleisterplaatsen van de bustocht kennen de mensen me inmiddels en bieden me tijdens de stop meteen een stoel aan en maken een praatje over de ellende waar Mali in terecht gekomen is.

overal zie je mensen met have en goed rondtrekken

Na 11 uur afzien arriveer ik tenslotte in Mopti.  “Ik wist dat je terug zou komen”, zegt Baba met een opgelucht gezicht als ik uit de bus stap.


een bezorgde Baba
Mopti ligt in de ”zone rouge”. Grensplaats met het bezette Noorden, omgeven door militairen.

het malinese leger


De grote droogte van de afgelopen jaren, de mislukte oogsten, de bezetting van het Noorden door fundamentalisten, het totaal wegvallen van het toerisme, sluiten van hotels en restaurants, de problemen met elektriciteit waardoor kleine ondernemers hun werk niet kunnen doen, de enorme werkeloosheid, de honger, de overvloedige regen die volgt op de droogte, het instorten van lemen huizen en de uitbraak van een ernstige variant van malaria waar velen aan bezwijken: het heeft de Moptianen nog niet op de knieën gekregen maar je voelt de wanhoop en verslagenheid overal.


overal  zittende en hangende mensen
           
   


Ook Here Bugu ontkomt niet aan de gevolgen en in de twee maanden dat ik weg was hebben ze het niet makkelijk gehad.
Idrissa is teruggekeerd naar zijn geboortestreek de Dogon om zijn familie bij te staan in de oorlog die daar woedt tussen de Dogonnais en de Peulen. Een verhaal zo oud als de bijbel, de landbouwers en de veetelers die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Inmiddels is er een derde partij in het spel, extremistische splintergroepen die zwaar bewapend de dorpen bezoeken op zoek naar wapens, diesel en vee.
Amadou is vertrokken om zich aan te sluiten bij militante jongeren die wapens krijgen om zich in de strijd om het Noorden te bekommeren.
Iedereen heeft malaria gehad,  vier kinderen van Sedou zijn net op tijd van de dood gered door infusen in het gezondheidscentrum, maar ze zijn nog steeds niet beter.

Oumu, Anta en Kaziem, ze hebben nog steeds malaria
De pelikaan, madame Pompidou, is vertrokken en nog niet teruggevonden, de aalscholvers zijn dood, een schaap is gestorven met 16 plastic zakken in zijn maag.

regelmatig lopen Sedou en ik tegen de avond met de honden door de rijstvelden waar Pompidou gesignaleerd is.
Het huis van Sedou en de knechten is totaal ingestort, opgevreten en uitgehold door de termieten, de regen deed de rest.


het huis in opbouw
 De grote generator, het monster, heeft het uiteindelijk totaal begeven, de tweede auto, de Nissan pick-up, wacht op een nieuwe waterpomp die nergens te krijgen is. Veel groentebedden zijn verwoest door de regen, bonen, sla enz., ze hebben het niet gered.

Maar iedereen staat klaar om me te begroeten en Sedou blijft maar roepen, alsof hij de boze geesten daarmee wil bezweren of misschien wil voorkomen dat ik rechtsomkeert maak: “ rien de mal a Here Bugu, rien de mal a Here Bugu”.

De volgende ochtend maak ik mijn ronde met Baba en komen de mensen uit de omgeving me één voor één begroeten. Bij Sedou en Sali is twee dagen geleden een nieuwe baby geboren. Aan het eind van de week is de doopdag, een groot feest en het kind krijgt de naam “Piet”, naar Piet Willem Chevalier van de windmolens.
Piet, 3 dagen oud in zijn voetbalpak


de mannen op het doopfeest

de vrouwen zorgen voor het eten

gasten op het feest       




De dag daarna is het Tabaksi, het grote offer en familiefeest dat ondanks of misschien dankzij de situatie met grote intensiteit gevierd wordt. De grote ram Hendrik wordt geslacht en zijn lever en een grote poot worden voor mij apart gelegd in de vriezer die overdag nog draait op de zonnepanelen maar ’s nachts weer ontdooit bij gebrek aan zon. De rest wordt verdeeld onder de families op en om Here Bugu.
in Mopti worden de schapenkoppen geroosterd onder een parasol
Ik vier Tabakski op het dak van de grand famille van de burgemeester waar ik ’s avonds in het donker met de mannen aanzit aan de schaal met schapenkluiven en couscous, bediend door de vrouwen, bewaakt door een groep militairen in een tent voor de deur. Als ik om tien uur terug rij naar Here Bugu, 12 km. verder, over een uitgestorven weg, zijn de militaire posten onderweg ervan op de hoogte dat ik langskom.
het huis van de burgemeester met de tent met militairen ervoor
Ik probeer de draad weer op te pakken. Het is nog steeds vochtig heet met veel muggen. Er komen twee nieuwe knechten, Basil en Raoul. Elke dag werken 12 mannen aan de wederopbouw van het huis van Sedou. Er wordt een betonnen band aangebracht om de nieuwe leemstenen te ondersteunen in plaats van hout dat termietgevoelig is. Er komt een golfplaten dak op gedragen door ijzeren balken, een kostbare ingreep. Sedou verblijft ondertussen met zijn gezin en de knechten in de school waar ook het klasje weer is gestart in één van de lokalen.
De moestuinen worden weer zaai klaar gemaakt en zaad gekocht.


de nieuwe multifunctionele ping pong tafel (Stichting Molenaars Kinderfonds)

een 80 jarige vluchteling en nieuwe bewoner, monsieur Kora Koro
 De werkbesprekingen op maandag zijn steeds doorgegaan, daar ben ik blij mee.  Het voedselprogramma voor de dieren wordt opnieuw besproken, ik ben niet tevreden over de conditie van de schapen en verantwoordelijkheden worden opnieuw verdeeld. Er wordt een veiligheidsprogramma besproken.
Er zijn ’s nachts dieven op pad in de omgeving. Alle deuren moeten op slot. Sedou heeft zijn mat en muskietennet buiten op een grote tafel geïnstalleerd vanwaar hij met zijn led lamp in de rondte kan schijnen. Ik lig op het dak met de twee honden die aanslaan bij elk verdacht, en jammer genoeg ook onverdacht, geluid. 




We bespreken vervolgens (een beetje lacherig omdat we niet verwachten het nodig te hebben) een vluchtplan voor mij, hoe ik me in de nacht bij ernstig onraad van het dak laat afzakken, over de muur klim, over het zandpad loop naar de volgende splitsing om daar Baba te bellen. Het betekent dat ik altijd een opgeladen en opgewaardeerde telefoon bij me moet hebben en een zaklamp met batterijen. En, ……dat Baba  en Hamsa  en Sedou ……. hun telefoon laten aanstaan en vooral opnemen. Misschien wel het moeilijkste onderdeel van het plan. Ze beloven het plechtig.


En dan....... begint de aanloop naar wat de vreselijkste dag wordt die ik mij op Here Bugu kan heugen.

Van Jan Joost, de voorzitter, heb ik een nieuw Exel systeem gekregen om de financiën overzichtelijk bij te houden. Maar het werkblad dijt onmetelijk uit naar rechts en naar beneden, ondoenlijk op mijn laptop. Vrolijk zet ik de grote Mac in. Ik heb overdag elektriciteit van de zonnepanelen voor mijn internet, koelkast en ventilator. Maar de accu’s trekken de energie niet die de grote computer gebruikt en het systeem slaat steeds af. Bovendien zijn de accu’s een uur na zonsondergang al op en dan is het aardedonker, heet en veel muggen.
Omdat de generator, die voorheen ’s avonds enige uren de accu’s oplaadde, zodat de koelkasten ’s nachts aanbleven en ik onder een ventilator kon slapen, kapot is, sluiten we een kleine benzine generator aan die we nog hadden voor de put. Hij doet het uitstekend. 
Maar iemand haalt het in zijn hoofd om de stekker daarvan rechtstreeks in de transformator van de zonnepanelen te stoppen!  De transformator is naar de klote. Geen zonne-energie meer, alleen een paar uur per dag energie op het luidde gepruttel van een benzinemotor om laptop en telefoons op te laden.

Geen energie meer voor de koelkasten. De boter die ik ergens bemachtigd heb druipt eruit, de schapenpoot begint te stinken alsof er een dode ezel in de koelkast ligt, mijn kostbare voorraad eten, meegebracht uit Nederland, begint te schimmelen.

En de koele periode is nog niet aangebroken, het is heet, heet, heet……..


wordt vervolgd:
Het licht gaat uit op Here Bugu











woensdag 17 oktober 2012

vertrekken en aankomen


Met een klap valt de enorme kartonnen doos die ik meegenomen heb naar Mali op het vliegveld van Bamako als eerste stuk op de bagageband.
Op Schiphol had ik hem ingeleverd bij de afdeling Odd Size Luggage. Mijn dochters, zus en kleinzoon van tweeëneenhalf vergezelden me inclusief twee grote honden. Ik was behoorlijk gespannen, dit keer, niet alleen vanwege de bij elke reis terugkerende brandende vraag of ik mijn teveel aan kilo’s door de controle zou krijgen. 95 kilo deze keer! Mijn terugkeer naar Mali, na twee maanden Nederland, werd ook gekleurd door het groeiende gevoel van ongerustheid over de situatie in Mali. Het ziet er daar gewoon niet goed uit.

Nu weet ik inmiddels wel dat angst en ongerustheid geen goede raadgevers zijn, dat ik vooral goed moet luisteren naar mijn intuïtie, dat ik zorgvuldig het smalle pad wil bewandelen tussen een angsthaas zijn aan de ene kant en overmoedig de held uithangen aan de andere kant, dat ik rustig door moet gaan met in-  en uitademen, dat ik de imaginaire draken die opgeroepen worden door een overkill aan negatieve journalistiek in de ogen moet kijken om ze te ontmantelen, maar toch… op Schiphol staan en afscheid nemen van je dierbaren is even slikken.

Als we bij het loket van de odd luggage zijn aangekomen met de enorme doos waar ik op het laatste moment nog wat kilo’s bijgooi voor we hem vereend dichtplakken en van een handvat voorzien, gaat mijn kleinzoon demonstratief op de korte bagageband zitten, een paar meter bij de ijzeren roldeur vandaan waar doorheen straks de doos in een donker gat zal verdwijnen om door de sterke röntgenstralen op zoek naar ongeoorloofde attributen doorboort te worden. Hij wil met  zijn Nonna mee naar Afrika heeft hij stoer gezegd. Ik kijk nog vertederd naar het lieve mannetje en zeg vrolijk “lieverd, straks ga je echt mee als bagage” als een luide “bounjg” de inwerkingstelling van de band aangeeft en we hem langzaam richting de deur zien schuiven. Mijn dochter aarzelt geen seconde, neemt een enorme duikvlucht, klemt hem in haar ene arm, rolt op haar rug en probeert zich met haar andere arm vast te klemmen aan een paal naast de band terwijl haar lange benen komisch in de lucht steken en haar gezicht vuurrood wordt van de inspanning. Ik spring haar net niet achterna maar weet vanaf de kant haar been te pakken en trek haar tegen de stroom terug over de voortschuivende stroeve rubberen band  tot ze veilig op de metalen rand aan de zijkant terechtkomt. We kijken elkaar allemaal totaal verbijsterd met open monden aan. Het hele voorval heeft misschien niet meer dan een minuut geduurd, maar dan wel een hele lange. En dan breekt de opgebouwde spanning en overvalt ons een gierende slappe lach die maar met moeite te stoppen is. Zelfs later in het vliegtuig zie ik het gebeuren telkens weer voor me en schiet ik in de lach. Mijn kleinzoon zit wat witjes op de schoot van zijn moeder en maakt een nadenkende indruk. Hij weet niet goed wat hij aan moet met deze angstige situatie gevolgd door het uitbundige lachen.
Het voorval maakt dat het afscheid luchtiger wordt, ik loop door de paspoortcontrole en  ga direct door naar de gate.

De weken in Nederland en een week in Londen waren intensief, geconcentreerd, vol warme ontmoetingen en gesprekken, met veel lekker eten en snoepen (wat niet onzichtbaar is gebleven, ik heb zogezegd weer volle borsten, buik en billen) en tot het moment dat ik in Mali het vliegtuig verlaat trekken de herinneringen hieraan door mijn gedachten.
Ik heb mijn lekkere winterjas nog aan met de capuchon over mijn hoofd als ik om één uur ’s nachts, lokale tijd (twee uur vroeger dan de Nederlandse tijd) over de vliegtuigtrap de vochtige hitte van de Malinese nacht binnen tuimel.

…… Mali……..
In de wirwar van mensen verdringen ijverige mannen met bagagekarren zich om me heen om me te helpen en al gauw staan de grote doos van 30 kilo, de twee koffers en mijn te zware handbagage op twee gammele karren. Op naar de uitgang, denk ik, maar de mannen wijzen op een rood kruis dat op de doos staat . “Hij moet door de douane”, zeggen ze. Ik schrik want de douane is, naast de politie, één van de meest corrupte geldwolven die je hier op je pad kunt tegenkomen. Ik heb 30.000 CFA in mijn Malinese portemonnee zitten (± 42 euro), ik moet nog met een taxi en wil een telefoonkaart kopen. Eén van de mannen stelt me gerust. “Ik heb vriendjes bij de douane” zegt hij, “hoeveel heb je er voor over?” “5000”, gok ik. Hij begint te lachen. “De controle wordt gedaan door 3 douane beambten, op zijn minst elk 5000 en nog iets voor mij” zegt hij. Na mijn bevestiging vertrekt hij met de kar met doos richting het douanekantoor. Na een half uur komt hij terug en zegt dat ik in het douanekantoor moet verschijnen. Ik loop er heen en zie een hele rij Malinezen met enorme pakken, waaronder flatscreens zo groot als een flinke deur, voor het kantoortje staan. Mijn pakket staat op de eerste plek en ik wordt meteen met de doos voor me uitschuivend binnengelaten. De deur gaat achter me dicht. Drie louche tronies kijken me aan. “Wat zit er in?” vraagt één van hen. “Een couveuse voor kippeneieren, led lampen, een oliepers en nog wat” antwoord ik. “Het is voor de arme mensen in Mopti” voeg ik er aan toe en schuif mijn visitekaartje van Rondom Baba over de tafel. “Is de couveuse nieuw?” vraagt een ander. “Nee”, zeg ik met een stalen gezicht, “ hij is van mijn overleden grootvader in Nederland die hem bestemd heeft voor de arme mensen in Mali”. “Wij zijn ook arm” zegt de derde terwijl hij met een scherp mes de doos opensnijdt, “we kunnen een couveuse goed gebruiken”. Ik begin op goed geluk te lachen en zeg dat als ze aardig zijn, zij de volgende keer aan de beurt zijn. Ze kijken nog even in de doos, laten de losse spullen die naast de enorme broedmachine liggen onverschillig door hun handen glijden, sluiten de doos weer en zeggen dat ik kan gaan. “Nous sommes ensemble” is hun laatste commentaar.

Buiten staan de mannen met de rest van de bagage op me te wachten en ik realiseer me nu pas dat ze er ook met alles vandoor hadden kunnen gaan. Maar dàt hoort hier niet bij het spel, bedenk ik me. We lopen naar buiten en ik geef één van de mannen de 3 beloofde briefjes van 5000 cfa waarmee hij terugloopt om ze af te leveren in het kantoortje. Ik koop van een jongen een kaart voor mijn telefoon voor 5000 cfa en stop die in mijn portemonnee. Er zit nu nog 10.000 in plus een handvol munten ter waarde van 2000.
Het is inmiddels half drie. De meeste passagiers zijn zo’n beetje vertrokken. Met de karren en de mannen sta ik op een donker, verlaten parkeerterrein zonder taxi’s. Het zweet stroomt over mijn lichaam en ik trek eindelijk mijn jas uit.
Er wordt druk getelefoneerd en onderhandelt en uiteindelijk verschijnt er een taxi. De chauffeur bekijkt de bagage en vertrekt weer. Na veel geschreeuw door de telefoon komt een volgende taxi aanrijden. De chauffeur stapt uit en kijkt me aan. “Jij bent degene die tijdens de staatsgreep in maart terugkwam terwijl iedereen het land verliet” zegt hij lachend en geeft me een hand. “Ik was de taxichauffeur die je vervoerde, weet je nog?” Ik weet het niet meer maar zeg dat niet. Hij begint de bagage in zijn auto te zetten. De doos past er niet in en wordt met een touw op de achterklep gebonden. Ik geef hem de 10.000 CFA die hij vraagt voor de nachtelijke rit en de handvol munten geef ik aan de mannen. Nu is mijn portemonnee leeg op de telefoonkaart na.
We vertrekken. Hij rijdt knoert hard en verteld ondertussen dat we aangehouden zullen worden door de politie vanwege de doos en dat ik hem moet helpen. In de stad aangekomen stranden we op een controle van de militaire politie. Een stuk of 10 mannen, het geweer in de arm, hangen tegen een pick up aan waar een aantal mannen en vrouwen die kennelijk zijn opgepakt, gelaten in de achterbak zitten. We stappen uit, ik moet mijn paspoort laten zien en het gedraai rond “de doos” begint opnieuw. Na 20 minuten gesteggel mogen we door tot we 500 meter verder opnieuw worden aangehouden door een vergelijkbare groep. Ze willen geld en ik laat hun in mijn lege portemonnee kijken waarop ze de autopapieren van de chauffeur in beslag nemen.
Om 4 uur rijden we de oprijlaan op van het huis van mijn logeeradres bij mijn vrienden in Bamako. De nachtwakers tillen de bagage naar binnen en mijn chauffeur zegt dat hij terug moet naar de laatste groep politie. Als hij mijn nieuwe telefoonkaart van 5000 cfa die ze in mijn portemonnee gezien hebben aan ze geeft krijgt hij zijn papieren terug. Ik geef hem de kaart en sluip het huis in. De logeerkamer is koel door de werkende airco, mijn bed staat klaar. De volgende dag wordt ik om 12 uur ’s middags gewekt uit een diepe, droomloze slaap door mijn rinkelende telefoon. Ik denk dat het Baba is en neem zonder te kijken op.
Het is de douanebeambte die mijn visitekaartje heeft aangenomen en vraagt wanneer we elkaar ergens kunnen ontmoeten!
.